3.11 Automonteur

context

De kern van de functie bestaat uit het in bedrijfsgerede staat houden van de vervoermiddelen door het uitvoeren van preventief onderhoud en het oplossen van storingen.

organisatie

Ressorteert onder  : chef werkplaats/bedrijfsleider.

Geeft leiding aan    : 1 junior monteur.

resultaatgebieden

Verantwoordelijkheidsgebied Resultaat-indicatoren
A.    Uitvoeren van preventief onderhoud.

 

 

 

 

 

 

B.    Uitvoeren van reparaties.

 

 

 

 

 

 

C.    Verrichten van demontage-, afstel-, en montagehandelingen..

 

 

D.    Rapporteren en verantwoorden.

–   opvolging van procedures;

–   tijdige signalering van technische gebreken;

–   storingsfrequentie / technische betrouw­baarheid van voertuigen;

–   veilige werkomgeving

 

–   snelheid van oplossing;

–   kwaliteit (bestendigheid) van de reparatie;

–   duidelijkheid aanwijzingen aan junior monteur;

–   veilige werkomgeving.

 

–   correcte afstelling van systemen;

–   juist gebruik van hulpmiddelen

 

–   volledigheid van de onderhoudsregistratie;

–   tijdige afstemming met leidinggevende.

 

 

 

 

 

kerntaken

A.Uitvoeren van preventief onderhoud:

–   raadplegen van checklists en handboeken;

–   uitvoeren van geplande revisies aan de hand van werkbonnen;

–   uitvoeren van de voorgeschreven vervangingen (smeermiddelen, aan slijtage onderhevige onderdelen) en van de voorgeschreven controles;

–   opmerken van afwijkingen en vaststellen van slijtagegraden;

–   preventief vervangen van onderdelen naar aanleiding van de controles in overleg met de leidinggevende;

–   controleren van afstellingen en herstellen van afwijkingen.

 B.Uitvoeren van reparaties:

–   opsporen/lokaliseren van storingen en storingsoorzaak;

–   beoordelen van de benodigde reparatie en reparatieduur;

–   overleggen met de leidinggevende bij omvangrijke en tijdrovende reparaties omtrent uitvoering;

–   geeft aanwijzingen aan junior monteur;

–   uitvoeren van reparaties;

–   maken van proefritten/proef laten draaien van apparatuur voor stellen van diagnose en beproeven van de resultaten van reparatie.

C. Verrichten van demontage-, afstel-, en montagehandelingen:

–   verrichten van demontage-, afstel-, en montagehandelingen aan alle voorkomende delen van bijvoorbeeld chassis, motor, wielen, vering, stuurinrichting, systemen, met gebruikmaking van hulpmiddelen, takels, speciaal gereedschap.

D. Rapporteren en verantwoorden:

–   verantwoorden, registreren van bestede tijd en materialenverbruik;

–   opvolgen van de voorschriften voor wat betreft de veiligheid op de werkplek en voor wat betreft de veiligheid van werken;

–   rapporteren/bespreken van bijzonderheden met de chef werkplaats/bedrijfsleider.

werkgerelateerde bezwaren

 –   uitoefenen van kracht bij het gebruiken van gereedschap voor tillen/verplaatsen van onderdelen e.d.;

–   inspannende houding, soms gebukt/gebogen werken op moeilijk toegankelijke plekken;

–   hinder van werkplaatsgeluiden en –omstandigheden;

–   kans op letsel door beknelling of stoten aan scherpe delen of door uitschietend gereedschap.

 functioneringsvereisten

–   MBO techniek niveau 2/3.

–   Benodigde rijbewijzen.

–   Verplaatsen van lasten

competenties 

Samenwerken en overleggen:

–   neemt het initiatief tot voldoende overleg met collega’s, opdrachtgevers en klanten en zorgt dat zij daarbij voldoende betrokken zijn/inbreng hebben;

–   actief informatie delen;

–   openstaan voor meningen van anderen;

–   bewaakt goede werkrelatie met collega’s, opdrachtgevers en klanten.

Ethisch en integer handelen:

–   reageert alert op conflicten ten aanzien van sociale normen en waarden;

–   zorgt dat overtredingen met betrekking tot omgeving en milieu voorkomen worden.

–   spreekt collega’s aan op gedrag en het zich houden aan veiligheidsnormen en -procedures.

Materialen en middelen inzetten:

–   overziet aard en omvang van standaard werk en bepaalt op basis daarvan welke de meest geschikte materialen en middelen daarvoor zijn;

–   draagt zorg voor goede instructies, juist gebruik, onderhoud en opslag van materialen en middelen.

Analyseren:

–   checkt gegevens en doet op basis daarvan verbetervoorstellen.

Met druk en tegenslag omgaan:

–   is in staat om onder druk en bij tegenslag te blijven presteren;

–   vangt extra werkdruk of een tegenslag effectief op;

–   gebruikt stevige kritiek om zijn werk te verbeteren.